‘Never waste a good crisis’. Als het inderdaad zo is dat een flinke crisis gunstig is voor transitie, dan staan we aan de vooravond van drastische veranderingen op veel gebieden. Acute problemen als  klimaatverandering, schulden, grondstoffenschaarste, de euro, vervuiling, hufterigheid, armoede en eenzaamheid schreeuwen om drastische aanpassingen in de maatschappij. Ondertussen verliest ‘Den Haag’ zichzelf in bezuinigen en geklets, en wenden veel mensen zich teleurgesteld af  van de politiek.  Gelukkig zijn tegelijkertijd al volop hoopvolle voorbeelden te zien van de economie van de toekomst.

Veel Nederlanders gaan niet zitten afwachten tot de problemen door anderen opgelost zijn, ze nemen het heft in eigen handen. Deze pioniers zoeken naar manieren om de economie van ‘dicht bij huis’ anders in te richten – met minder geld en meer betrokkenheid. Ze worden zelfvoorzienend op het gebied van energie, ruilen tijd en middelen zonder geld, produceren voedsel in een buurtmoestuin, delen vervoersmiddelen of richten een zorgcoöperatie op. Met deze lokale initiatieven proberen ze de menselijke maat weer terug te krijgen in de economie. Dat doen ze met buurt- en straatgenoten, waardoor sociale cohesie versterkt wordt. Vaak richten ze er een coöperatieve organisatie voor op, die niet het realiseren van maximale winst nastreeft.

Deze lokale pioniers zijn niet de enigen die zien dat de tijden veranderen. Koplopers als Unilever, DSM en Ecover werken hard aan bedrijfsstrategieën die uitgaan van duurzame landbouw, circulaire grondstofstromen en schaarste van materiaalbronnen. Ook zij bereiden zich voor op een andere economie en gaan anders samenwerken.

In die nieuwe economie ontstaat ruimte voor andere bedrijfsmodellen, zoals dat van Mud Jeans. Bij deze hippe modewinkel koop je geen spijkerbroeken, je kunt ze leasen. Als je broek kapot is of je wilt een andere, ruil je hem in. Van het oude textiel wordt weer een nieuw kledingstuk gemaakt. Innovatieve voorbeelden zijn er genoeg. Interface maakt niet alleen tapijten die volledig recyclebaar zijn, ze kopen ook de kapotte visnetten van Filipijnse vissers. Zo krijgen de vissers een beter inkomen en belanden de netten niet als afval in zee maar als grondstof in vloerbedekkingen. Het piepjonge Peerby brengt mensen bij elkaar die gereedschappen of een aanghangwagen van elkaar willen lenen. Dat is goedkoper en duurzamer dan kopen. Of neem de Repair Cafés: groepen vrijwilligers die kapotte spullen gratis repareren zodat ze langer meegaan. Niet alleen goed voor het milieu, maar vooral ook een sociaal een gezellig gebeuren. Er zijn al tientallen Repair Cafés in Nederland en wekelijks komen er nieuwe bij.

Veel van deze ontwikkelingen komen voort uit een gezond bedrijfskundig inzicht. Het oude economische model is onhoudbaar, dus keert de wal het schip. Afval wordt voedsel, rioolwater is geld waard en energie produceer je zelf. Toch wordt dit soort initiatieven door beleidsmakers vaak nauwelijks serieus genomen, en weggezet als amateuristisch, marginaal of economisch irrelevant. Maar de opkomst van deze kleinschalige initiatieven is de kiem voor een nieuwe, economisch anders ingerichte samenleving. Deze pioniers verdienen alle ondersteuning en respect. ‘Klein is het nieuwe groot.’

Op 1 februari verscheen het boek ‘Werken aan de WEconomy’. Daarin vertellen ruim dertig auteurs over hun bevlogenheid, hun initiatieven en hun ideeèn. Het zijn geen theoretisch verhalen over een circulaire of ‘groene’ economie, of utopische zweverijen. Essentieel is dat gewone mensen vandaag de economie van morgen vormgeven, van onderop. Het boek laat zien: het is ónze samenleving en ónze economie. Wij zijn de WEconomy (zie www.weconomy.nu).

Jos Reinhoudt werkt bij MVO Nederland en is raadslid voor GroenLinks in Nijmegen.
Jan Jonker is hoogleraar Duurzaam Ondernemen aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
Dit opinieartikel is geplaatst in Trouw op dinsdag 5 februari 2013