Onlangs zag ik op Facebook een filmpje van een Amerikaanse jongen met het Down-syndroom die zijn droom had waargemaakt: een eigen lunchrestaurant waar hij broodjes én knuffels verkocht. Jong of oud, niemand ging weg zonder eerst geknuffeld te zijn. En druk dat het daar is!

Nu veel sociale werkplaatsen verdwijnen omdat er geen geld meer voor is en ze niet rendabel zijn, wordt er een beroep gedaan op de reguliere markt. Om te participeren en zich maatschappelijk betrokken op te stellen, zoals dat heet. Mensen met een beperking aan het werk krijgen (en houden!) wordt steeds belangrijker. Maar eenvoudig is het niet.

Zo werkt een plotsdove vriend van me al sinds jaar en dag bij een groot consultancybureau. Hij was vice-president, maar vanwege zijn auditieve beperking vroegen ze hem een stapje terug te doen. En tot op de dag van vandaag wordt niet serieus gekeken hoe ze hem optimaal kunnen inzetten. Een gemiste kans voor iedereen.

Werk-leerbedrijf
Afgelopen vrijdag heb ik met mijn collega Johan heerlijk gegeten bij het drukbezochte Landgoed De Linde in Hasselt, een zogenoemd para-commercieel bedrijf. Het is onderdeel van een grotere zorginstelling. Bij De Linde werken mensen met een verstandelijke beperking in de bediening en de keuken. Het menu is beperkt zodat de bediening overzicht houdt, en er staan plaatjes op voor de mensen die niet goed kunnen lezen. In het atelier maken ze dingen als schalen en knuffels, die ze vervolgens zelf in hun eigen winkel verkopen. De Linde is een werk-leerbedrijf waar ‘cliënten medewerkers zijn’ en dus wél een kans krijgen. De vraag is bij De Linde niet of je het kan, maar hoe je het kan (leren).

De begeleiders bij De Linde hebben nadrukkelijk de taak hun client-medewerkers te ondersteunen, en dus niet hun taken over te nemen als het druk wordt. De koks zijn aangetrokken uit de reguliere markt. Ze worden goed voorbereid op deze baan met bijzondere collega’s, want soms lopen de dingen anders dan verwacht, terwijl er wel klanten wachten op hun maaltijd.

Volwaardig deelnemen
Zo’n plek als De Linde staat steviger in de samenleving dan een sociale werkplaats, vanwege het commerciële element en open karakter dat hierbij hoort. De medewerkers voelen zich volwaardig deelnemen aan de maatschappij, en tegelijkertijd houden de begeleiders er rekening mee dat sommige zaken lastig zijn. Dat leren bijvoorbeeld meer tijd kost, of op een andere manier gaat.

Alleen met de juiste combinatie van kennis, inhoud en commercie werken dit soort initiatieven. En de aandacht voor de bijzonderheid van mensen is een goede graadmeter voor het succes ervan.

Meebewegen
Afgelopen week sprak ik een directeur van een grote zorginstelling. Hij vroeg zich af hoe je in deze tijd je maatschappelijke rol als grote speler het beste kunt invullen. Allerlei kleine (zorg)initiatieven steken de kop op om hun taken over te nemen. Het barst daar van de energie en ondernemerszin, en ze kunnen ook nog eens makkelijker schakelen dan een grotere, bureaucratische organisatie. Wat moeten wij nou, als grote molog? Een zeer legitieme vraag. Zonder hapklaar antwoord.

We kwamen tot de conclusie dat het juist nu essentieel is dat medewerkers van grotere instellingen weet hebben van de maatschappelijke ontwikkelingen en hierin meebewegen. Deze openheid geeft een basis waarop nieuwe werkvormen, zoals De Linde, kunnen ontstaan. Dat is namelijk wel de kant die het opgaat.

Kritiek
Soms is er kritiek dat mensen over de rug van minder begaafden geld verdienen. Maar zo is het niet. Of je nou een klein initiatief hebt opgezet of bij een grotere organisatie werkt, je kunt dit werk niet doen wanneer je in je hart geen ruimte hebt voor de bijzonderheid van mensen. In zijn boek ‘Stilstaan bij Leiderschap en Invloed’ weet Gabriel Anthonio deze kern goed te raken.

Het verhaal dat me het meeste is bijgebleven is hoe hij met zijn autistische en verstandelijk beperkte zoon Mahil in een overvolle tram 5 in Amsterdam stapt. Mahil gaat naast een stoere, boos kijkende Marokkaanse jongeman zitten, het enige vrije plekje in de tram, kijkt hem lang aan en begint aan hem te frunniken. De man ontdooit en er komt een grote glimlach op zijn gezicht. Wanneer hij uitstapt zwaait hij Mahil nog na terwijl de tram weer optrekt.

Misschien ligt het antwoord op de veranderingen in de zorg wel in het verlengde hiervan. In hoeverre staan we nog open om ons te laten raken door de bijzonderheid van mensen?